Stadmakers: de praktische veranderaars van Rotterdam

Stel, je hebt een zevenjarige zoon en je helpt hem bij het invullen van een vriendenboekje. Bij zijn antwoord op de vraag wat hij later worden wil, blijft je pen boven het papier zweven. Eh, vraag je hem, is dat met een tussen-s of niet? Ondanks zijn – door jou tot dan toe veronderstelde – bovengemiddelde intelligentie, kijkt je kroost je niet-begrijpend aan. Ik wil gewoon hetzelfde worden als jij. Een stadmaker.

Door: Anneke Kortleve, Vers Beton

Een voorstelbaar scenario. Ondanks dat de term nog niet volledig is gedefinieerd, gebruiken we hem kwistig, als cacaopoeder over de tiramisu. Zo vindt op 30 oktober in Rotterdam voor de tweede keer het stadmakerscongres plaats, het Amsterdamse Pakhuis de Zwijger dweept met de verschillende door hen benoemde stadmakers, en de vijfde Architectuurbiënnale droeg de naam ‘Making City’.

Als je erbij wilt horen in de planologische en architectonische scene, dan ga je steden maken. Hoog tijd dus om de term stadmaker nader te beschouwen. (Nb. Indien je geen interesse hebt in de taalkundige terminologie, kun je de volgende drie alinea’s overslaan).

Feestje, sfeer en geld
In dit artikel wordt de tussen-s niet gebezigd. Stadmaker dus, geen stadsmaker. Een choice of the field: het staat bij samenstellingen de schrijver vrij een tussen-s toe te voegen, afhankelijk van of je hem hoort of niet. Bij stadmaker horen we hem niet. Althans, wenst het véld hem niet te horen, want een Google-actie op ‘stadsmaker’ geeft als resultaat “Bedoelde u: stadmaker”. Ja, die. Blijkbaar.

Een mogelijke reden hiervoor is dat in de Angelsaksische evenknie, city maker, de tussen-s ook ontbreekt. Misschien dat we hem daarom in het Nederlands niet horen en we hem dus ook niet gebruiken. Waak echter voor het gebruik van de spatie tussen ‘stad’ en ‘maker’. Niet alleen is zij – ook in het Engels trouwens – best lelijk, ook is zij grammaticaal incorrect.

Het woord ‘maker’ wordt daarnaast in beide talen hetzelfde geschreven. Dat woord heeft in beide gevallen een abstracte betekenis en fungeert als synoniem voor ‘creëren’ en ‘opbouwen’. ‘Maken’ doe je met de sfeer, het feestje of money. In het Nederlands kan dat laatste dan weer niet, tenzij je de DNB-geldmachine bedient. Geld (In The City wordt daar blijkbaar anders over gedacht) is een object dat je hier niet kan ‘maken’. Een feestje en de sfeer wel – en blijkbaar de stad ook.

Onwennige allure
Zo bezien houdt ‘maken’ in (en, voor ik vergeet, welkom terug, taalkundig-terminologisch ongeïnteresseerde!) dat je dit werkwoord alleen kan gebruiken voor iets dat ‘positief te laden valt’. Dat betekent dat het onderwerp vóór het maken neutraal was, en ná het maken positief is geworden. Eerst was het feestje een verplicht nummer. Eerst was er een ijzige of bedompte sfeer. En eerst was er een saaie of grauwe stad. En daarna? Daarna waren zij leuk, lachen, mooi.

In 2012 werd het begrip ‘stadmaker’ geïntroduceerd in Nederland. De vijfde Architectuurbiënnale in Rotterdam had als onderwerp ‘making city’. Het gebruik van een Engelse titel sprak zowel internationale allure als onwennigheid uit. Blijkbaar was dit iets wat zíj doen en wíj kúnnen doen. Kort na de biënnale bedient Kristian Koreman, medecurator van de biënnale en directeur van architectenbureau ZUS, zich niettemin van de Nederlandse variant, zoals wanneer hij in het tijdschrift Metropolism zijn werkzaamheden eind 2012 omschrijft als “Wij maken stad”.

Startschot
Ook in de samenwerking tussen Pakhuis de Zwijger en ZUS (die uitmondde in stadsambassades en in ‘Steden in transitie’, het paradepaard van de culturele organisatie) is ‘stad maken’ een veelgebruikte terminologie. Pakhuis de Zwijger gebruikt de term echter niet zelfverklarend maar aanwijzend. Zijn website meldt: ‘”Stadmakers noemen wij ze. Een eretitel.” En daarmee loste zij het startschot voor het oprekken van de definitie. Had de term als functieomschrijving van een succesvolle duizendpotige architect nog iets elitairs, door het gebruik van de organisatie werd het een ‘eretitel’. Of, want dat ligt ironisch genoeg nu eenmaal besloten in het benadrukken van een hoge rang, een liefdevol koosnaampje.

Daarnaast joeg Pakhuis de Zwijger de geografische en digitale verspreiding aan. Niet alleen in Amsterdam en Rotterdam, maar in bijna alle steden van Nederland worden stadmakers als zodanig gelabeld en geëerd. Bovendien wordt de term nu ook op Twitter (zij het nog mondjesmaat) gebruikt. Dat gebeurde voor het eerst in april 2013, ongeveer negen maanden na de vijfde biënnale.

Buiten én binnen
In Rotterdam wordt nu voor de tweede keer het stadmakerscongres gehouden. AIR-redacteur Arie Lengkeek organiseert dit congres en legt de keuze voor de naam uit: “Vorig jaar besloten wij dit congres deze naam te geven. We werden geïnspireerd door ‘Urban Catalyst’ Klaus Overmeyer, die een jaar hiervoor was uitgenodigd als Urban Guest Critic. Dankzij zijn benadering is onze focus verschoven van een sectorale benadering naar een benadering die denkt vanuit personen. Hij inspireerde ons tot de keuze voor de term Rotterdamse stadmakers en de lading daarvan.”

In de ogen van Lengkeek zijn stadmakers ook mensen die bij institutionele partijen veranderingen proberen teweeg te brengen. Lengkeek: “Stadmakers kunnen dus ook bij een woningcorporatie werken. Een stadmaker kan iedereen zijn die op een creatieve manier buiten het gebaande pad treedt, ongeacht waar dat pad vandaan komt. Wij willen al die mensen een gelijk speelveld bieden.”

Medewerkers van Pakhuis de Zwijger zullen volgens Lengkeek hun wenkbrauwen soms optrekken bij het zien van de gastenlijst. “In Amsterdam wordt de stadmaker ingekleurd vanuit de oppositiegedachte: buiten tegen de gevestigde instituties. Een geuzentitel dus. Daarmee is Pakhuis de Zwijger een spreekhuis voor alternatieve manieren van stadsontwikkeling. Wij kijken op een meer praktische manier en vinden dat deze term niet voorbehouden is aan deze creatieven. Wij denken dat als je twee kanten uit elkaar speelt, je ontkent dat er ook ontwikkelingen zijn bij de institutionele partijen. En vice versa gebruiken ook de alternatieve partijen soms traditionele methoden om dingen te bereiken. Die twee willen wij juist bij elkáár brengen. Die praktische insteek, dat zal wel Rotterdams zijn. Of ik wil dat dat Rotterdams is.”

Nog één ding. Die hypothetische zevenjarige van je had het mis. Hij kan zichzelf dat toekomstige predicaat niet geven. Iedereen die bijdraagt aan de stad is een stadmaker: dat kan op vele manieren en vanuit vele rollen. Lengkeek: “Wij nodigen mensen uit voor dit congres en nodigen hen daarmee uit hun werk in de stad op die manier te zien. Dan zie je iets gebeuren. Opeens worden ze trots. Ja, ik ben ook stadmaker ja. Mooi is dat.”

Drie stadmakers aan het woord

Patrick Boel
Sociaal ondernemer, penningmeester Delfshaven Coöperatie

Mark van de Velde
Manager wonen van woningcorporatie Havensteder

Myron Freeling
Publieke ontwikkelaar gemeente Rotterdam